Aan de voet van de Brabantse Wal ligt een gebied dat tot het einde van de vorige eeuw eb en vloed kende: het Markiezaatsmeer en het Zoommeer. Door de aanleg van de Oesterdam, Slaakdam en Philipsdam hebben deze wateren sinds 1984 geen verbinding meer met de zee. Kenmerkende planten van het schor zoals onder andere Melkkruid, Zeekraal, Lamsoor en Heen verdwijnen langzaam maar zeker uit het gebied. Langs de oevers ontwikkelen zich moeras en bos. Begrazing houdt een deel van het gebied open. Het gebied is sindsdien aan het veranderen in een meer dat gevuld wordt door toestroom van zoet oppervlaktewater van rivieren en beken en door kwelwater.

Kwel

Kwel is water dat onder druk uit de grond komt zetten. Dit is een normaal verschijnsel bij de Brabantse Wal. Water zakt in de grond op de hoger gelegen delen, waarna het onder druk aan de voet van de Wal weer uit de grond komt zetten. Vaak is kwelwater schoon en kalkrijk. Door aan- of afwezigheid van kwel verloopt de verzoeting binnen het gebied verschillend. Op de nu hoger liggende kreekoevers groeien nog zoutminnende planten, omdat de invloed van zoet water hier kleiner is. Op andere plekken maakt de zoutminnende vegetatie plaats voor ruigtes met Akkerdistel en Grote brandnetel. Daarna komen grassen en soorten als Moeraswespenorchis, Heelblaadjes en Grote kaardebol.

Vogels

Het moerasgebied kent een grote afwisseling in milieu, waardoor er vele soorten vogel voorkomen. De Lepelaar en de Blauwe reiger doen zich te goed aan vis in de voormalige kreken, op de kwelplassen zwemmen de Kuifeend en de Krakeend. In het riet broedt de Blauwborst. De Tureluur zoekt naar voedsel in het drassige gebied van de vroegere schorren, de Zilverplevier en de Bonte Strandloper doen dit op de waterlijn.